Pagina 1 van 1

'WORST' (door Nico van der Want)

GeplaatstCOLON Di Nov 15, 2016 8:04 pm
door Ton
Nico van der Want :

In m'n pc-archief kwam ik zojuist een nogal curieus verhaal tegen dat ik ooit eens geschreven heb...
Toch maar delen op FB? Ach, 'k vond het jammer om het te laten verstoffen.
Alle liefhebbers van korte verhalen: ga d'r maar eens voor zitten, zou ik zeggen; en in het bijzonder vleesliefhebbers
;-)


'WORST'


Liggend op zijn zij drukt Joris met vlakke hand zijn oor dicht, terwijl hij zijn hoofd nóg verder begraaft in het kussen. Nóg dieper kruipt hij weg, nóg hoger trekt hij de grauwe deken over zijn rode piekhaar. Alsof ’t al niet donker genoeg is. Hou op! Hou asjeblieft op!
Een kalf….! Dat vind hij ‘t ergst. Varkens, ja, vooral jonge varkens, dat is ook vreselijk. Maar zo’n kalf… O, en wat duurt het en wat duurt het maar. Laat het voorbij zijn!
Hou er mee op! HOU OP! Hij zou het willen schreeuwen, brullen, gillen.
Maar hij zwijgt. Hij probeert weer te slapen.
Met beide armen onder zijn kussen en zijn ogen wijd open staart Joris naar de schuine binten van de zoldering. Zoals iedere ochtend – deze tijd van het jaar - bestudeert hij de heel kleine, kleurige condensdruppeltjes op het oude hout, die zo vrolijk glinsteren in het zachtblauwe ochtendlicht dat geruststellend zijn kamer insluipt. Man man, wat voelt hij zich nog moe, na zo’n nacht. Kon hij de rest van de dag maar blijven liggen. Zijn ogen volgen de zolderbalken links van zijn bed tot waar zij verdwijnen in de grove vloerbedekking.
‘Joris! Joris, kom op joh! ’T is al lang tijd! Jóóóris!’
Van beneden schelt de stem van zijn moeder. Waarom moet dat toch altijd zo hard!
Nooit kan ze eens lief en zacht, als een echte mama zijn kamer binnenglippen, op zijn bed gaan zitten, haar hand zachtjes op hem leggen en hem met een kus voorzichtig wakker maken. Soms verlangt hij daar stiekem zo naar. Soms wil hij het haar vertellen. Maar altijd zwijgt hij weer.
Bah, meestal die schetterende stem van onderaan de trap. Of soms, als hij volgens haar erg laat is, ja, dan beent ze plots zijn kamer in en loopt rechtstreeks door naar het raam om het gordijn met een ruk open te trekken. ‘Pfff..wat is het muf hier! Kom d’r nou uit joh, schiet op!’
Terwijl hij zich aankleedt denkt Joris terug aan vannacht. Aan die geluiden, die in zijn zolderkamer altijd zo goed doordringen. Meestal begint het rond een uur of vier. Eerst wat gestommel, gebonk. En dan het gekrijs. Het lijkt ver weg, maar in de nachtstilte toch zo ijzig dichtbij. En dan…daarna, als het voorbij is, en hij weer in slaap is gevallen, dan komt het ergste van alles: die droom. Die afschuwelijke droom, die hij al jaren heeft in dit soort nachten. Nog altijd weet hij niet exact wát hij droomt, maar het is eng, vreselijk eng. Altijd weer probeert hij zich te herinneren waarover hij dan precies droomt, maar altijd weer ontglippen de beelden hem, juist op het moment dat hij ontwaakt. Het heeft met die akelige geluiden te maken, dat moet wel.
Het is zijn eigen, steeds weer beangstigende geheim. Pa en ma, slapend in de bedstee in de voorkamer beneden; zij horen niets, dat weet Joris wel. Trouwens, ze zouden hem er toch om uitlachen. ‘Een normaal mens slaapt ‘s nachts,’ zou ma zeggen, ‘en dromen zijn gewoon soms eng, da’s niks vreemds.’
‘Dat soort geluiden hebbie nu eenmaal wel’s in een slagerij,’ zou pa zeggen.
Ja, de slagerij… Het piepkleine huisje aan de Broersveld, waar Joris en zijn ouders wonen, staat ingeklemd tussen een kapperszaak en een slagerij. De slager heeft zijn winkel aan de straatkant, en in de lage uitbouw aan de achterzijde is zijn werkplaats. Joris’ zolderslaapkamer, met het kleine raam in de halsvormige achtergevel, bevindt zich min of meer schuin boven die werk- en slachtplaats. Want ja, het is een slager…en een slager slacht. Wekelijks. Iedere maandag, zeer vroeg in de ochtend. De inmiddels veertienjarige Joris heeft het van kinds af meegemaakt. Varkens, koeien, lammeren, kalveren; via de achterdeur worden ze in het holst van de nacht aan touwen binnengebracht –gesleept soms, weet Joris – om gedurende de rest van de week in mootjes en plakjes via de winkeldeur de slagerij weer te verlaten.
En in al die jaren heeft Joris nooit aan die wekelijkse nacht kunnen wennen. Het gekrijs, geloei, geblaat, gemekker, en vooral het langzaam gorgelend uitsterven daarvan. Bij kalfjes is dat het ergst. Het klagelijk roepen van het dier begint luid en huilend, om dan steeds zachter en benauwder en zieliger en droeviger weg te ebben, en uiteindelijk pruttelend te smoren. Het maakt hem steeds weer misselijk, en doet hem - soms rillend en klappertandend - de tranen over de wangen lopen. Het is een mengeling van angst en meelij, hij weet het ook niet precies. Dit weet hij wel zeker: dierenvlees eten is een van de ergste dingen die een mens kan doen. Een doodzonde, dat is het!
Joris is een ‘mietje’, een ‘wijf’, aldus zijn makkers. Een ‘merkwaardige jongen’, volgens zijn moeder. Men vindt hem vreemd, ‘ongewoon’, al vanaf zijn geboorte. Als enige in de familie bleek hij rood haar te hebben. Z’n ma was al ruim boven de veertig toen ze van hem beviel. Als ze dat vertelt komt het Joris voor dat ze hem eigenlijk liever niet geboren had zien worden. En pa, die zich op de Wilton-werf naar eigen zeggen ‘halfdood moet werken voor een paar stuivers’, pa zegt het zelfs openlijk tegen hem: het kwam gewoon niet uit. Joris kwam gewoon niet goed uit.
Heel anders bleek hij ook te zijn dan zijn veel ouder broers en zussen, die nu allang de deur uit zijn. Heel anders…ook omdat hij een afkeer van vlees heeft. Nooit van gehouden ook. Het staat hem tegen, hij lust het niet, hij wil het niet. Maar hij moet. Steeds wanneer hij weigert begint ma met haar relaas dat hij blij moet zijn dat hij met zoveel goeds gezegend is, en dat hij niet zo ondankbaar moet zijn, en dat zij vroeger alleen maar af en toe een kippenpootje mocht en dat pa thuis alleen maar paardenvlees kreeg. Pa’s ogen en wenkbrauwen spreken dan ondertussen boekdelen. Spek, worst, ham, rollade, karbonades; alles moet Joris eten.
Hij moet wat meer een vent worden, een kerel. Dat zeggen ze tegen elkaar en tegen hem. Dat zegt iedereen trouwens. Hij is te zachtaardig en te fijngevoelig, zo naïef en kwetsbaar als een kalf. Dat zegt de meester. Zo kun je de wereld niet aan. Dat zegt opa. Hij is altijd veel te bleek, te rossig, en o zo mager. Dat zegt tante. En de buurvrouw zegt steeds dat het een nieuwe mode is, die uit Amerika is komen overwaaien. Daar heb je mensen die zich ‘vagetariërs’ noemen, volgens haar.
Ach wat. Ze bekijken het maar met z’n allen. Zo ben ik gewoon! Dat heeft hij iedereen al zo vaak midden in het gezicht willen schreeuwen. Maar als ’t eropaan komt zwijgt hij, dat weet ook hij wel.
Hij heeft zich aangekleed en opgefrist. Hij stommelt de trap af, en een half uurtje later trekt hij de voordeur van zijn ouderlijk huis achter zich dicht: op weg naar school.
Vrijdagmiddag, juni, 1956. Joris’ laatste schooldag voor de zomervakantie zit erop. Luchtig zwaaiend met zijn tas slaat hij de hoek om, de kade van de Broersveld op. Tegelijk met de hem zo vertrouwde, onfrisse geur van stilstaand water, die hem vanuit de oude gracht tegemoetkomt, ziet hij iets wat hem zijn opgewekte pas abrupt doet vertragen. O nee he! Wat wil die vent toch steeds!?
Het is niet de eerste keer dat de slager hem opwacht uit school. De beenhouwer met zijn rare slisstem staat dan breeduit op de smalle kade, en wel op zo’n manier dat Joris – wil hij niet de gracht in vallen - wel zal móeten stoppen om een praatje te maken. Om de een of andere reden toont de slager altijd veel interesse zijn buurjongen. ‘Da’s kalverliefde’, lachte pa spottend, toen Joris hem dat eens vertelde.
Bah, wat lijkt die kerel zelf toch veel op een varken. Telkens verbaast Joris zich hierover. Het lijkt wel of de man zich zo heeft vereenzelvigd met het vlees waarin hij snijdt, dat hij er zelf deel van uit is gaan maken. Een kale, glimmend ronde schedel. Te grove, ietwat puntige oren. Kleine, grijsblauwe oogjes, verzonken in een bol en vet gezicht met ronde neus. Een enorme onderkin verhult zijn keel, zodat het lijkt alsof zijn hoofd zonder nek rechtstreeks op zijn lichaam is geplaatst. De buik en het achterwerk van de ambachtsman zijn rond en een beetje peervormig. Veel te kleine, krommige beentjes torsen dat geheel aan menselijk vlees.
Alleen de krulstaart ontbreekt. Dat denkt Joris vaak, terwijl zijn hartslag zich zoals gewoonlijk versneld met elke stap waarmee hij de slager dichter nadert.
‘Hebbie nu lekker vakansie toch? Kommie dan es kijke, jochie, maandag? Willie dat?’
‘Wa…waar….bedoelt u, meneer? Bij…bij… u… het..?’
‘Wahaha! Tuurlijk! Bij het sjlachten, jochie! Bij het sjlachten.’
Het gezicht komt zo dichtbij het zijne dat Joris een neiging om te kokhalzen moet onderdrukken; zo walgt hij van de weeïge geur die zijn neus binnendringt. Het voorstel van de slager verlamt hem van dodelijke schrik.
‘Hartstikke leersjaam voor je, joh! Wor’ je ’n vent van! Wacht es effe.. ‘k Zal ‘t eersjt ‘an je mammie vrage!’ De dikke worstarm grijpt Joris’ schouder net iets te hebberig vast, en met groot enthousiasme trekt de slager de jongen mee.
‘Je mot met sjoiets wel toesjtemming krijge van je pa en ma. Da’s wel sjo normaal.’
Het angstzweet breekt Joris nu pas echt uit. Natuurlijk zullen ze hiermee instemmen! Een vént moet en zal hij worden. Nee, bescherming van z’n ouders zal hij hierin niet krijgen. Geen ontsnappen aan…
Laat me los! Nee, ik wil niet! Hou op! Hij wil schreeuwen, brullen, gillen! Maar hij zwijgt.
‘Jonge jonge jonge, wat ís dat nu weer? Je heb toch vakansie man? Wees nou ‘ns een beetje blij!’
Joris antwoordt niets. Één hap van zijn zuurkool met spekjes heeft hij walgend naar binnen weten te werken. Hij heeft z’n vork neergegooid. Het lukt gewoon niet meer.
‘Moeders, wat heb dat joch?’
Pa’s wenkbrauwen fronsen zich, en ietwat dreigend tikt hij met zijn lepel op de rand van Joris’ bord.
‘Ik wil het niet! Echt niet! Nooit niet!’ stoot de jongen eensklaps uit. Hij kijkt z’n vader rechtstreeks aan, en pakt paniekerig diens verruwde werkhand vast. ‘Zeg me dat het niet hoeft pa!’
‘…dat het nie’ hoef?’ Uiterst verbaasd herhaalt pa Joris’ uitroep, terwijl hij zijn hand weer losmaakt uit de zweterige greep van zijn zoon.
‘Ach, hij heb weer ‘ns wat.’ Ma grinnikt een beetje, en legt pa vervolgens uit hoe de slager vanmiddag bij haar aanklopte. Of Joris vanwege de vakantie eens een dagje met hem mee mag draaien. Het slagersvak eens met eigen ogen aanschouwen. ’s Ochtends meewerken met de slacht, en de rest van de dag meedraaien met de verwerking van het verse vlees. Worst maken, koteletjes hakken, noem maar op. Om een uur of zes zal Joris dan weer bij pa en ma thuis zijn.
Verbijsterd kijkt Joris toe hoe de donkere ogen van z’n vader beginnen te glinsteren. ‘Maar..nee toch, geweldig! Da’ we daar nooit eerder an gedacht hebbe! Tuurlijk! Hartsikke leerzaam jonge! Daar wor’ je sterker van.’
Joris zou wel willen schreeuwen, brullen, gillen. Nooit hebben zijn ogen zo smekend die van z’n vader gezocht. Nee! Nee! Nee! Maar hij zwijgt.
Ma lijkt nu toch wat medelijden te krijgen. ‘Is ’t echt zóóó erg dan? Misschien ben je gelijk van die nare dromen af joh. Bovendien leer je meteen…..’ Joris klampt met tranen in de ogen het strohalmpje vast. ‘Nee ma! O lieve mama, nee, ik vind het afschuwelijk! Laat me toch asjebl.....’
‘Klaar nu!’ Vaders vuist op tafel maakt met een dreunende klap een eind aan zijn verzet. ‘Jij gáát!’
Joris laat snikkend de schouders hangen, terwijl de tranen op zijn zuurkool druppelen.
Met een naar zijn zoon priemende vinger vervolgt pa: ‘Het is een fa’tastisch leuk voorstel. Ik zal d’r pe’soonlijk op toezien da’ je gaat. Ik breng je wel effe achterom, rond een uur of vijf ‘s ochtens, voor da’k ga werken. Desnoods sleep ‘k je d’r heen. Het zal je afleren zo’n slapjanus te zijn.’
En Joris ging, die vroege maandagochtend. Pa bracht hem hoogstpersoonlijk achterom de werkplaats van de slagerij binnen. De glunderende slager heette Joris welkom, en pa klopte Joris op de schouder, en pa ging naar z’n werk, en Joris….Joris was dapper, heel erg dapper.
En de dag is om, inmiddels. ‘t Is etenstijd. Ma is altijd stipt op tijd; zes uur, en geen minuutje later.
‘Wat is dit voor heerlijks, moeders? vraagt pa gulzig.
‘Ja, de buurman had vanmiddag weer zo’n bijzondere specialiteit in de reclame, weet je wel. Soms heeftie dat ineens. Koteletjes, worsies, gehakt, wat nieuwe soorten vleeswaren enzo. De recepten houdt ie altijd geheim, maar d’r schijnt een of andere zeer bijzondere vleessoort in te zitten die alleen hij zo nu en dan heeft, meestal in de zomervakansie. Een soort kalfsvlees ofzo. Ik dacht: ik gaat effe langs, misschien zie ik Joris nog wel.’
‘Hmmmm! Echt, echt verrukkelijk! Hebbie Joris bezig gezien? Hij heeft hier vast aan meegewerkt. Kun je hem vrage of ’t kalfsvlees is. Jammer voor ’m, dat hij dit nu nie’ meemaakt zeg!’
‘Ik zag ‘m nie in de winkel, hij moes’ toch in de werkplaats meedraaien? Hij zal vast een hoop geleerd hebbe vandaag. Ach, nou, die jonge zal dr toch wel weer nie van houde denk ik. ’T is vlees he… Ik snap dat joch in al die jare nog steeds nie. Waarom toch die eeuwige weerzin?’
‘Weet ik ook nie’ hoor. Zeg, waar blijft die jonge eigelijk? Hij zou toch rond 6 uur terug zijn? ’t Is al bijna half zeven.. Of is tie misschien al binnen zonder da’we ’t door hebbe….?’
Smakkend prikt pa het laatste stukje worst aan z’n vork. ‘Hó…’ Met plots ietwat trillende vingers peutert hij wat aan de worst. Hij legt een roodachtige haar op het randje van zijn bord, terwijl hij ma tegenover zich een vluchtige knipoog geeft. ‘Kan ‘beuren, moeders, kan ‘beuren hoor.. Dat soort ongelukkies hebbie nu eenmaal wel’s in een slagerij.’ Hij haalt zijn schouders op, ademt een keer in en uit, waarna het stuk worst verdwijnt tussen zijn vettige lippen. ‘Tjonge jonge, lieverd, wat is dit echt fantastisch lekker zeg! Een soort kalfsvlees, zei je dat?’
Hij schijnt niet op te merken dat ma plotsklaps met een lijkwit gezicht naar de haar op de rand van zijn bord staart…




Nico van der Want
(www.facebook.com/profile.php?id=100003377774643&fref=ts)